Bouwconstructies kunnen zowel in de horizontale als in verticale richting onderhevig zijn aan aanzienlijke bewegingen (ingevolge temperatuurschommelingen, krimp, doorbuiging, zettingen van het gebouw, …). Om scheurvorming en lekken in platte daken te voorkomen dienen er voldoende bewegingsvoegen in de draagconstructies voorzien te worden en moet er rekening gehouden worden met de invloed van de bewegingen op de afdichting.
De inhoud van dit artikel is gebaseerd op de Technische voorlichting TV 244 “Aansluitingsdetails bij platte daken” van Buildwise.
Op welke plaatsen zijn voegen mogelijk?
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen voegen in de draagconstructie en voegen tussen de dakisolatieplaten.
- In de draagconstructie kunnen er voegen voorkomen in het dakvlak of tegen een opgaande gevel of in een draagvloer opgebouwd uit gefractioneerde elementen (draagelementen uit licht of zwaar beton, sandwichplaten, houtwolcementplaten,…). Om de overmatige vervorming van de draagconstructie te vermijden, dient men deze vanaf de ontwerpfase van een toereikend aantal uitzetvoegen te voorzien (met een maximale tussenafstand van 20 tot 30 m). Gezien de bewegingen op de voornoemde plaatsen aanzienlijk kunnen zijn, is het raadzaam om deze te voorzien van een specifieke voegafdichting.
- Tussen thermische isolatieplaten kunnen bepaalde hoogteverschillen en kleine voegjes ontstaan ingevolge toleranties op de ondergrond, of ingevolge het aangewende materiaal of ingevolge de uitvoering. In dit geval dient men normaalgesproken geen speciale voorzorgen te treffen.
Waarmee dient er rekening gehouden te worden bij de afdichting van bewegingsvoegen?
- Alle ruwbouwvoegen moeten overgenomen worden in de afwerkingen (isolatie en afdichting). Naast deze voegen dient men geen bijkomende uitzetvoegen in de afdichting te voorzien.
- De bewegingsvoegen zouden indien mogelijk op het hoogste niveau van het dak ingeplant moeten worden, om zeker te zijn dat het water van deze voegen zou weglopen. Bovendien zouden ze bij voorkeur met een opstand geplaatst moeten worden.
- Bij daktuinen zouden de bewegingsvoegen zich boven het niveau van de grond van de tuin moeten bevinden.
- Indien de bewegingsvoegen zich niet op het hoogste peil bevinden, moet de waterafvoer goed bestudeerd worden, (waterafvoer zo ver mogelijk van de uitzetvoegen).
- Het eventuele dampscherm vereist ook een aangepaste uitvoering (moet bv. doorlopen over de bewegingsvoeg)
- Ter hoogte van de uitzetvoegen kan er plaatselijk rimpel- en plooivorming in de afdichting ontstaan. Dit fenomeen is onvermijdelijk, maar levert bij de huidige afdichtingsmaterialen normaalgesproken geen problemen op.
Welke zijn de verschillende uitvoeringsmethodes van bewegingsvoegen?
- Bij de uitvoering van bewegingsvoegen met een opstand in het midden van het dakvlak wordt er op een zware draagconstructie meestal een steenachtige opstand aangebracht die uit isolerend metselwerk bestaat of thermisch geïsoleerd wordt. Deze opstand kan verder afgewerkt worden met een metalen of stenen afdekkap (bv. indien risico op beschadiging mogelijk is), maar uitvoeringen zonder afdekkap zijn ook mogelijk. Indien er bewegingsvoegen voorzien moeten worden in een dakvloer uit geprofileerde staalplaten, zou de opstand bij voorkeur uit staal of hout moeten bestaan. In al deze gevallen wordt er meestal een soepel isolatiemateriaal in de uitzetvoeg voorzien.
- Indien er in het midden van het dakvlak toch gekozen wordt voor bewegingsvoegen “zonder” opstand kan dit alleen wanneer er een perfecte verbinding mogelijk is tussen de dakafdichting en de elastische voegafdichting (eventueel met geprefabriceerde uitzetvoegen). In dit geval moeten deze uitvoeringen extra aandacht krijgen tijdens het onderhoud van het dak.
- Bij bewegingsvoegen tegen opgaande muren dient men een losse opstand te voorzien, die de onderlinge beweging van de draagvloer en de opgaande muur in alle richtingen mogelijk moet maken. Deze opstand zou steeds uit metaal of uit een steenachtig materiaal moeten bestaan.
- Bij bewegingsvoegen in gefractioneerde dakvloerelementen wordt de uitvoeringswijze bepaald door het soort draagelement (betonelementen, cellenbetonelementen, metalen plooiplaten,…), het feit of de draagconstructie al dan niet thermisch geïsoleerd is en ook de plaats van de voegen (kopse voegen, langsvoegen in het dakvlak, voegen bij de wand). In geval van bv. cellenbeton zonder bijkomende isolatie zal het volstaan om losse overbruggingsstroken (ruw glasvlies, polyestermat,…) op de kopse voegen te voorzien. Deze kunnen indien nodig aan één zijde bevestigd worden.